Wat moet de opdrachtgever betalen aan de aannemer bij een ‘aanneem-overeenkomst’?

Wat de opdrachtgever moet betalen aan de aannemer kan op drie manieren:

1. Vaste Aanneemsom:

In veel gevallen is de prijs/aanneemsom vastgelegd in de overeenkomst van aanneming. In dat geval staat de aanneemsom vast. De discussie gaat dan vaak niet over de hoogte van de aanneemsom, maar over de vraag of er meerwerk, minderwerk en/of bijvoorbeeld bouwtijdverlenging is overeengekomen dan wel dat sprake is van gebreken. Het financiële risico ligt bij de aannemer.

2. Op Regiebasis:

Op regiebasis betekent kort gezegd: uurtje factuurtje. De aannemer kan de daadwerkelijke gewerkte uren in rekening brengen bij de opdrachtgever. Het financiële risico ligt bij de opdrachtgever.

3. Niets afgesproken:

Is er niets afgesproken of is slechts een richtprijs bepaald, dan is de opdrachtgever een redelijke prijs verschuldigd. Bij de bepaling van die redelijke prijs wordt rekening gehouden met de door de aannemer ten tijde van het sluiten van de overeenkomst gewoonlijk gehanteerde prijs en met de door hen ter zake van de vermoedelijke prijs gewekte verwachtingen.

Van een gegeven richtprijs kan slechts met 10% worden afgeweken, tenzij de aannemer heeft gewaarschuwd en de gelegenheid heeft geboden om het werk alsnog te beperken of te vereenvoudigen.

Conclusie:
Het is dus zeer verstandig om de bepaling van de prijs duidelijk in de overeenkomst van aanneming te zetten. Dan is het voor alle partijen wat ze kunnen verwachten. Dat kan veel gedoe en extra kosten schelen.

Voor vragen over overeenkomsten van aanneming van werk, neem dan direct contact op met advocaat Wijnand Westerman!

Lees meer

Onklaar gemaakte wapens, mag je die bezitten?

Er is veel onduidelijk over hoe een wapen onklaar moet zijn gemaakt.

Per 28 juni 2018 werd de wetgeving, lees EU-verordening 2015/2403, wederom aangescherpt met extra eisen, die op 28 juni 2018 in werking zijn getreden. De belangrijkste wijziging betreft daarbij dat de trekker de hamer niet meer mag kunnen bedienen, waardoor droog afvuren niet meer mogelijk zal zijn.

In EU-verordening 91/477/EEG, welke in werking is getreden op 8 april 2016, staat e.e.a. iets duidelijk aangegeven.

Wat staat er in  EU-verordening 91/477/EEG?

  1. Deze verordening is van toepassing op vuurwapens van de categorieën A, B, C en D zoals gedefinieerd in bijlage I.
  2. Deze verordening is – niet – van toepassing op vuurwapens die vóór de datum van toepassing ervan onbruikbaar zijn gemaakt, tenzij die vuurwapens naar een andere lidstaat worden overgebracht of op de markt worden gebracht.
  3. Controle op en certificering van de onbruikbaarmaking van vuurwapens geschiedt door „De controlerende entiteit”.
  4. Als het vuurwapen onbruikbaar is gemaakt overeenkomstig de technische specificaties van bijlage I, geeft de controlerende entiteit aan de eigenaar van het vuurwapen een certificaat dienaangaande af.
  5. De eigenaar van het onbruikbaar gemaakte vuurwapen bewaart het certificaat van onbruikbaarmaking – te allen tijde -.
  6. De lidstaten zorgen ervoor dat gedurende een periode van ten minste twintig jaar een register wordt bijgehouden van de voor onbruikbaar gemaakte vuurwapens afgegeven certificaten, met vermelding van de datum van onbruikbaar­making en het nummer van het certificaat.
  7. De Commissie onderzoekt op gezette tijden in overleg met het bij Richtlijn 91/477/EEG opgerichte comité alle aanvullende maatregelen van de lidstaten en neemt de herziening van de technische specificaties in bijlage I te gelegener tijd in overweging.
  8. De lidstaten erkennen de door een andere lidstaat afgegeven certificaten van onbruikbaarmaking als deze voldoen aan de voorschriften van deze verordening.

Dus zoals in punt twee staat aangegeven, verandert de wettelijke status van wapens welke reeds in omloop zijn niet!

Voldoet het onklaar gemaakte wapen niet aan de wet- en regelgeving, of heeft u het certificaat niet (meer), dan kunt u dus een probleem met justitie krijgen!

Bij twijfel, bel!

Hein Dudink/Advocaat

Lees meer

‘Een ‘aangepast’ PV, daar vang je boeven mee’!

Het Nederlandse strafrecht is inmiddels bijna geheel schriftelijk geworden. Daarbij heeft de wetgever in artikel 344 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering aangegeven dat het proces-verbaal van een opsporingsambtenaar extra bewijskracht heeft. Er staat letterlijk;

Het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd, kan door den rechter worden aangenomen op het proces-verbaal van een opsporingsambtenaar’.

Dat houdt in dat de rechter zal veroordelen als aan dit ‘minimum vereiste’ is voldaan, omdat feitelijk nooit wordt getwijfeld aan de oprechtheid van de waarneming van een opsporingsambtenaar. Het enige dat dan nog over blijft, is gesteggel over de hoogte van de straf!

Schriftelijke samenvatting van het verhoor of de waarneming:

In Nederland worden de verhoren niet standaard opgenomen, omdat het technisch niet mogelijk zou zijn o.i.d. In Engeland neemt men de verhoren al sinds – 1984 – op en staat ook nog eens in het Police and Criminal Evidence Act 1984 (P.A.C.E.) precies uitgewerkt hoe dat moet geschieden. Het kan dus wel – en gebeurt ook bij zware delicten – , maar waarom wil men dat dan (in eenvoudige zaken) niet?

Achteraf aanpassen:

Een keer eerder viel mij tijdens het verhoor op dat het proces-verbaal niet gelijk aan mijn cliënt en mij werd gegeven, maar eerst aan een onbekende derde moest worden voorgelegd. Toen de verbalisanten terug kwamen, werd het proces-verbaal ook daadwerkelijk aangepast en daarna pas ter controle aan de verdediging overhandigd. Dit gaf aanleiding om het proces-verbaal niet te ondertekenen en scherper op deze wijze van verbaliseren te letten.

Rechtbank Arnhem.

In de hiervoor omschreven strafzaak heb ik tijdens de behandeling bij de rechtbank te Arnhem aangegeven dat dit in directe strijd is met de wijze waarop dient te worden geverbaliseerd. Wie weet na uren of dagen verhoor nog precies wat voor antwoord is gegeven? Los daarvan worden er door de onbekende verbalisant buiten beeld aanpassingen gemaakt en wordt er dus niet mee ondertekend!

Bovenstaande gaf de officier van justitie aanleiding om aan te geven dat hij dit proces-verbaal ‘weg zou laten’ uit zijn requisitoir. Hetgeen door de meervoudige kamer van de rechtbank werd gewaardeerd. Ook die voorzitter achtte de wijze van verbaliseren niet juist! Uiteindelijk volgde vervolgens een vrijspraak voor deze verdachte. Het raakt namelijk direct de kern van de betrouwbaarheid van de zaak en de fundering van het Nederlandse schriftelijk strafrechtstelsel.

Hof Amsterdam.

In een recente strafzaak popte deze wijze van verbaliseren ook op. Hierbij bleek dat meerdere verbalisanten niet alleen bij elkaar hadden gezeten en gelijktijdig hun proces-verbaal van bevindingen opstelden, maar hun PV’s eerst aan een derde moesten laten lezen. Deze onbekende verbalisant was daar speciaal voor van huis geroepen!

Deze wederom niet met naam genoemde opsporingsambtenaar, zou namelijk later de zaak ‘gaan draaien’. Dat verklaarde een van de verbalisanten en gaf aanleiding tot nader onderzoek.

‘Een goed (aangepast) PV, daar krijg je een veroordeling mee…’:

Dus degene die verantwoordelijk is voor de uiteindelijke succesvolle vervolging, mag en kan zelf bepalen wat er in een proces-verbaal komt.

Aangezien de naam van deze opsporingsambtenaar nergens in het dossier was terug te vinden en ook de verbalisanten zelf dat niet eens meer wisten, heb je ook als verdediging geen enkele weet van wat voor beïnvloeding/aanpassing er eventueel heeft plaatsgevonden. De rechtbank en het hof dus ook niet!

Het verschil tussen een vrijspraak en een veroordeling is in Nederland al vaak een uiterst dun lijntje en de overtuiging van een (van de) rechter(s) kan dan al genoeg zijn om toch tot een veroordeling te komen. De meeste opsporingsambtenaren die ik bijstond wisten al vaak niet wat het precieze juridische verschil was tussen diefstal, heling en verduistering. Daar gaat je VOG/VGB en je carrière.

Hier horen de strafrechtelijke nekharen overeind te gaan staan!

Verschillen in processen-verbaal:

Let op, in tegenstelling tot een proces-verbaal van verhoor, waar een verdachte kan/mag ondertekenen, ondertekent een verdachte bij een proces-verbaal van bevindingen niet! Dat doen de verbalisanten zelf! Daar zit dus geen advocaat bij en er is dus geen enkel zicht of controle op.

Wel degelijk inhoudelijk aangepast:

Een van de later verhoorde verbalisanten gaf duidelijk aan dat er ook inhoudelijke wijzigingen zouden zijn aangebracht. Dit gaf aanleiding om het Hof te verzoeken om deze verbalisant zelf te mogen horen. Dit werd afgewezen, maar de verbalisant zou gevraagd worden om een aanvullend proces-verbaal van bevindingen op te stellen… Geen grap!

Deze verbalisant geeft later in zijn proces-verbaal van bevindingen aan:

Na de aanhouding van de verdachte ben ik in dienst geroepen. In mijn rol als coördinator ben ik ter plaatse gegaan naar het politiebureau, alwaar voorgenoemde verbalisanten hun werkzaamheden aan het uitvoeren waren, namelijk het opstellen de processen-verbaal.

Mijn rol bij het opmaken van deze processen verbaal was coördinerend, wat ik dagelijks bij verschillende onderzoeken uitvoer. Dit houdt in dat ik de processen verbaal na de opmaak doorlees en kijk of het voldoet aan de kwaliteitseisen.’

Ik let daarbij op de volgende zaken:

  1. Zijn de juiste gegevens van verbalisanten en van de verdachte ingevoerd.
  2. Zijn de juiste gegevens van de datum, tijd en plaats ingevoerd.
  3. Staan in de bevindingen spelfouten.
  4. Staan in de bevindingen zinnen die niet goed lopen, wat het geheel niet prettig leesbaar maakt.
  5. Staan er in de bevindingen zaken benoemt die men duidelijker kan beschrijven.

Op de vraagstelling of ik instructies heb gegeven aan de verbalisanten, verklaar ik u dat ik niet meer heb gedaan als wat ik hierboven het omschreven. Ik zie het niet als het geven van instructies maar als kwaliteit zorg en collegiale ondersteuning om te komen tot een goed product.

Goed product en kwaliteitszorg!

Het is gelukkig allemaal alleen maar om een goed product te doen! U kunt weer rustig gaan slapen!

Dus de man die de zaak inhoudelijk gaat draaien, wordt thuis opgebeld en komt gelijk om zijn collega’s alleen maar te helpen! Dat doet hij dagelijks bij verschillende onderzoeken!

Er wordt kennelijk op de politieacademie niet geleerd hoe een proces-verbaal moet worden opgesteld en wat hierin allemaal moet worden opgenomen. Bijvoorbeeld dat de verbalisanten hun eigen gegevens erin moeten zetten en die van een verdachte! Voorts wanneer de verweten gedraging zou hebben plaatsgevonden etc.

Kennelijk spreekt geen verbalisant in Nederland ‘begrijpelijk’ Nederlands, want er wordt ook nog een taalcontrole uitgevoerd en gezorgd dat alles prettig leesbaar is! Tenslotte dat het allemaal wel duidelijk moet zijn.

‘Een goed PV, daar vang je boeven mee’.

Dat staat op pagina 2 Kwaliteitsprogramma Politie-OM Den Haag 2016 (KPOM.DH).

Waarom moest deze coördinator zo snel van huis komen? Dat is namelijk omdat als de verbalisant het proces-verbaal definitief maakt, hij dit later niet meer kan aanpassen, zonder dat het opvalt. Het systeem laat dit (kennelijk) niet toe!

Indien naar het PV van de verbalisant zelf wordt gekeken, dan valt gelijk op dat het taalkundig niet al te best is en het is de man kennelijk ook niet opgevallen dat een van de verbalisanten aangeeft dat hij het proces-verbaal op een andere locatie heeft opgesteld dan zijn collega’s. ‘Iets’ klopt hier dus niet!

De Wet:

In artikel 152 lid 1 wetboek van strafvordering staat aangegeven: ‘De ambtenaren, met de opsporing van strafbare feiten belast, maken ten spoedigste proces-verbaal op van het door hen opgespoorde strafbare feit of van hetgeen door hen tot opsporing is verricht of bevonden’.

Daar staat dus niet dat zij verbaliseren wat door derden is/wordt bevonden! Daarom tekenen zij zelf en op ambtseed voor het proces-verbaal.

Neutrale coördinator?:

Zelfs het EHRM lijkt rekening te houden met de mogelijkheid dat een verbalisant zelf al niet altijd ‘neutraal’ is in zijn weergave van het proces-verbaal.

In de uitspraak van Mechelen e.a. oordeelde het EHRM dat politieagenten banden hebben met de overheid en het Openbaar Ministerie: ze zijn immers ondergeschikt aan het OM en moeten bewijs leveren voor strafzaken. Hierdoor kunnen ze de neiging hebben om een verklaring af te leggen die bijdraagt aan een succesvolle vervolging van de zaak. Daarom is een opsporingsambtenaar volgens het EHRM, niet onpartijdig te noemen. (EHRM 23 april 1997, 21363/93, NJ 1997, 635, m. nt. G. Knigge (van Mechelen e.a./Nederland).

Richtlijn schriftelijke verantwoording strafzaken: (28 januari 1997, College van procureurs-generaal)

In het strafproces geldt als uitgangspunt een goede, dat wil zeggen behoorlijke en rechtmatige werkwijze van politie en openbaar ministerie. Hiervan moet behalve de rechter ook de verdediging kunnen uitgaan. Dit straf processueel ‘krediet’ gaat evenwel verloren indien politie en openbaar ministerie geen open en volledige verantwoording van het opsporingsonderzoek afleggen ter openbare terechtzitting en aldus dit onderzoek gedeeltelijk aan de controle van de rechter onttrekken. In het bijzonder het voorschrift van artikel 152 van het Wetboek van Strafvordering strekt er toe deze verantwoording invulling te geven, en daarmee de controle van de strafrechter op het totale verloop van het opsporingsonderzoek, mogelijk te maken. De rechter moet de gehanteerde opsporingsmethoden en -middelen kunnen toetsen op proportionaliteit, subsidiariteit, zorgvuldigheid en rechtmatigheid.

Als je voorts meeneemt dat er meerdaagse observaties van de verdachte niet eens werden geverbaliseerd, dan wel in het dossier werden opgenomen, dan mag u mag zelf bepalen wat u van de opmerking van het EHRM vindt!

 

Hein Dudink/Advocaat

 

 

Lees meer

Zo vraagt een werkgever straks een transitievergoeding voor een zieke werknemer terug

Zo vraagt een werkgever straks een transitievergoeding voor een zieke werknemer terug.

Veel werkgevers houden een werknemer na twee jaar ziekte ‘slapend’ in dienst, omdat ze geen transitievergoeding willen (of kunnen) betalen. Maar vanaf 1 april 2020 treedt een compensatieregeling in werking, waarmee werkgevers de betaalde transitievergoeding kunnen terugvragen. Dat kan met terugwerkende kracht vanaf 1 juli 2015. Let wel op, dat u belangrijk bewijsmateriaal moet bewaren om in aanmerking te komen voor terugbetaling!

Met de Regeling compensatie transitievergoeding wil de overheid een oplossing bieden voor het probleem van de slapende dienstverbanden. Daarmee kan de werkgever gecompenseerd worden voor de transitievergoeding die hij moet betalen als hij een werknemer ontslaat die langer dan 2 jaar ziek is. De aanvraag voor de compensatie wordt afgehandeld door het UWV. Het geld komt uit het Algemeen werkloosheidsfonds (Awf). De premies voor dat fonds gaan voor alle werkgevers daardoor wél omhoog.

Aanvraag indienen vanaf 1 april 2020
Vanaf 1 april 2020 kunnen werkgevers een aanvraag indienen als zij een langdurig arbeidsongeschikte werknemer ontslaan of hebben ontslagen sinds 1 juli 2015.

  • De aanvraag moet voor oude gevallen worden gedaan binnen een half jaar nadat de regeling in werking treedt.
  • Voor nieuwe gevallen geldt dat de aanvraag binnen zes maanden na volledige betaling van de transitievergoeding moet worden ingediend.

Het UWV neemt voor oude gevallen binnen zes maanden een beslissing over het toekennen van de compensatie. Voor nieuwe gevallen geldt in principe een beslistermijn van 8 weken, maar die mag worden verlengd.

U krijgt een bedrag gecompenseerd dat past binnen de wettelijke kaders. Dus als u een hogere vergoeding geeft, bijvoorbeeld een vergoeding bij een beëindiging met wederzijds goedvinden, krijgt u toch maar maximaal het wettelijk vereiste bedrag voor de transitievergoeding terug.

Aanvraagprocedure via internet
Het UWV zal een formulier op internet zetten waarbij de werkgever zoveel mogelijk wordt begeleid bij het indienen van de aanvraag, zodat een vlotte afhandeling kan plaatsvinden. Als u gebruik wilt maken van de compensatieregeling, is het verstandig om alle documenten te bewaren over het einde van het dienstverband en de reden daarvan. Dat geldt ook voor de berekening en betaling van de transitievergoeding.

Het UWV gaat bij de beoordeling van de aanvraag zoveel mogelijk gebruik maken van gegevens die al bij de uitvoeringsinstantie bekend zijn. Vóór 1 juli 2019 geeft het UWV een overzicht van aanvullende documenten die nodig zijn. Bewaar in ieder geval de volgende documenten goed zodat u ze, als het nodig is, mee kunt sturen met uw aanvraag:

De ontslagvergunning, de beëindigingsovereenkomst (inclusief bewijs van 2 jaar ziekte en ziek bij einde dienstverband), gegevens die gebruikt zijn om de hoogte van de transitievergoeding te berekenen en het bewijs dat de transitievergoeding betaald is.

Op 1 juli 2019 wordt er meer bekend over deze Regeling compensatie transitievergoeding!

Wijnand Westerman, Advocaat

Lees meer

Rechter zet streep door CBR-onderzoek naar rijgeschiktheid

Wanneer je tijdens een alcoholcontrole op de openbare weg te veel alcohol hebt geblazen, heb je allang niet meer alleen met het openbaar ministerie te maken. Het CBR krijgt vaak van de politie een melding dat de betrokken persoon wordt vervolgd voor rijden onder invloed, waardoor ook het CBR wil weten of je nog rijgeschikt bent of niet. Op zichzelf is dat natuurlijk goed voor de verkeersveiligheid.

Als advocatenkantoor merken wij alleen dat het vaak nogal eens doorschiet. Mensen die eenmalig de fout in zijn gegaan worden al heel snel tot alcoholmisbruiker bestempeld met als gevolg dat je een jaar lang je rijbewijs kwijt bent, met verschrikkelijke consequenties zoals bijvoorbeeld baan- en huisverlies tot gevolg.

Het vervelende is ook dat het CBR van de regering niet eens rekening mág houden met die persoonlijke omstandigheden. Nadat je eenmaal vanwege een incident als alcoholmisbruiker bent gelabeld, is er geen ruimte meer voor individuele afwegingen.

Gelukkig staat het CBR niet boven de wet en heeft de rechter onlangs nog eens bevestigd dat het CBR niet buiten de wet om zichzelf bevoegdheden mag toekennen. Zo is in onderstaande uitspraak te lezen dat je als CBR alleen een onderzoek naar de rijgeschiktheid mag bevelen, als de verweten gedraging (rijden onder invloed) op Nederlands grondgebied heeft plaatsgevonden.

Deze Nederlander die op Duits grondgebied reed en voor rijden onder invloed was beboet, hoefde dus niet een CBR onderzoek te tolereren. Af en toe zijn er dus zeker kansen. Laat u daarom altijd voorlichten door een gespecialiseerde advocaat.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2018:3901

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2018:3902

 

Robbert Poort / advocaat

Lees meer

APK-Keuringsbevoegdheid door RDW weer teruggegeven aan keurmeester.

Wat gebeurde hier?

 

Een APK keurmeester keurde een wat grotere auto met een afwijkende wielbasis, waardoor de achterwielen op de remmentestbank net even uitstaken. Hij kon de remmentest wel uitvoeren en de test was positief.Toen kwam er een steekproef en daarbij werd aangegeven dat het tegen de regels was om zo te keuren en dat daardoor de keuringsbevoegdheid APK voor – 12 weken – werd ingetrokken.

 

Er volgde nog een gesprek met de bedrijfsinspecteur van de RDW en ook dat hielp niet. Daarna werd met ons contact opgenomen en er is gelijk bezwaar gemaakt en werden de maatregelen geschorst voor de tijd dat het bezwaar werd behandeld.

 

Na bespreking werd er door de RDW besloten om het bezwaarschrift gegrond te verklaren en de bestreden beschikking te vernietigen. De keurmeester kon dus weer opgelucht adem halen en aan de slag.

 

U bent geïnformeerd en gewaarschuwd!

Hein Dudink/Advocaat

Lees meer

Recht op inzage politiedossier vanaf eerste verhoor!

Misschien toch goed om nog eens onder de aandacht te brengen!

Recht op inzage politiedossier vanaf eerste verhoor

Als verdachte hebt u het recht om het politiedossier in te zien.  In de praktijk leeft dit artikel helaas nog niet echt. Het is onvoldoende doorgedrongen bij politie/marechaussee en justitie dat u als verdachte recht hebt op kennisneming van de processtukken, nog voordat u feitelijk wordt verhoord. Vraag altijd aan het begin van het verhoor om inzage in de verklaringen van de aangever, getuigen en de overige stukken uit het politiedossier.

Wettelijke basis inzagerecht

Op 1 januari 2013 is de Wet herziening regels processtukken in strafzaken in werking getreden waarin – voor zover van belang – het volgende is bepaald:

Artikel 30
1. De kennisneming van de processtukken wordt de verdachte op diens verzoek tijdens het voorbereidende onderzoek verleend door de officier van justitie. De kennisneming wordt de verdachte in elk geval toegestaan vanaf het eerste verhoor na aanhouding.
(..)

Toelichting bij inzagerecht

In de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel herziening regels processtukken in strafzaken is uitgebreid aandacht besteed aan de regeling van art. 30 e.v. Sv.

Onbeperkte bevoegdheid tot kennisneming
(..)
Het huidige artikel 30 Sv biedt de verdachte een in beginsel onbeperkte bevoegdheid tot kennisneming van de processtukken. De verdachte kan daardoor al vroeg worden geïnformeerd over het verloop en de resultaten van het opsporingsonderzoek. Hij kan gebruik maken van zijn verdedigingsrechten en op die manier een bijdrage leveren aan de waarheidsvinding. Zo is het mogelijk dat de verdachte na inzage van de processtukken verzoekt om de verrichting van enig onderzoek door de rechter-commissaris. Daarmee kan worden voorkomen dat de zaak later ter terechtzitting wordt aangehouden voor nader onderzoek.

Laat U dus niet in de maling nemen dat het niet kan of mag!

Nog verstandiger, bel ons tijdig!

Hein Dudink/Advocaat

Lees meer

Alimentatiebetaler, let op! Wilt u minder betalen?

De maatschappelijke opvattingen over de onderlinge verplichtingen na een huwelijk, waaronder de 12 jaar durende alimentatieplicht, zijn de laatste decennia sterk veranderd. Heden ten dage wordt het steeds minder passend gevonden dat er na een echtscheiding nog onderlinge afhankelijkheid blijft bestaan in de vorm van een langdurende partneralimentatieverplichting.

Deze veranderde maatschappelijke opvatting werkt ook door in de rechtspraak. In de recente rechtspraak wordt er steeds meer vanuit gegaan dat van een onderhoudsgerechtigde mag worden verwacht dat deze zich steeds actiever opstelt bij het vinden van een betaalde baan, zeker naar mate de echtscheiding meer in het verleden ligt en/of wanneer de kinderen van de ex-echtgenoten een zekere mate van zelfstandigheid hebben. Onder omstandigheden mag zelfs worden verwacht dat een onderhoudsgerechtigde een eventuele achterstand op de arbeidsmarkt verkleint door zich laat omscholen of cursussen te volgen om zodoende meer in eigen levensonderhoud te kunnen voorzien.

Op grond van de rechtspraak op dit punt heeft een onderhoudsplichtige (alimentatiebetaler) het recht om periodiek te (laten) toetsen of een onderhoudsgerechtigde wel voldoet aan de inspanningsverplichting om in eigen levensonderhoud te voorzien. Wanneer wordt vastgesteld dat dit niet het geval is, kan dat tot gevolg hebben dat de rechtbank rekening houdt met een “fictieve verdiencapaciteit” van de onderhoudsgerechtigde en/of dat er een jaarlijkse lineaire afbouw van de alimentatie wordt vastgesteld, die uiteindelijk uitkomt om € 0,00, dit al dan niet in combinatie met een verkorting van de 12-jaarstermijn. Ter illustratie: de rechtbank Overijssel hield in november 2017 (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2017:4671) in een zaak waarin zij vond dat de alimentatiegerechtigde zich na het huwelijk onvoldoende had ingespannen rekening met een fictieve verdiencapaciteit en stelde de alimentatie van ca. € 1.600 bruto bij tot slechts € 800 bruto per maand.

De rechtbank in 5:14:

Gelet op bovenstaande conclusie is de rechtbank van oordeel dat in dit geval voor de vrouw rekening moet worden gehouden met een fictieve redelijke verdiencapaciteit. Gelet op de leeftijd van de vrouw (thans 57 jaar) en het feit dat zij rugklachten heeft, is het naar het oordeel van de rechtbank niet reëel om voor de vrouw uit te gaan van een verdiencapaciteit van € 1.594,- bruto per maand, de huidige (verbleekte) behoefte. De rechtbank acht het in dit geval redelijk om uit te gaan van een fictieve verdiencapaciteit ter hoogte van de helft van haar huidige (verbleekte) behoefte, te weten € 797,- bruto per maand. De rechtbank houdt hierbij rekening met de omstandigheid dat onvoldoende is gesteld of gebleken dat de vrouw op fysieke en/of psychische gronden niet in staat zou zijn om te werken, terwijl zij evenmin de zorg heeft voor minderjarige kinderen. Gelet op de hoogte van het door de vrouw in het verleden ontvangen inkomen van BTK zorg en haar PGB-inkomsten, acht de rechtbank in dit geval een fictieve verdiencapaciteit van € 797,- bruto per maand redelijk. Nu is gebleken dat de man over voldoende draagkracht beschikt om in deze resterende behoefte te voorzien, zal de rechtbank beslissen dat de door de man te betalen partneralimentatie wordt verlaagd tot een (fiscaal aftrekbaar) bedrag van € 797,- bruto per maand.

Mocht u, als alimentatieplichtige, willen laten beoordelen in hoeverre het door u betaalde alimentatiebedrag nog wel voldoet aan de hedendaagse alimentatienormen en/of laten toetsen in hoeverre uw ex-partner wel voldoende voldoet aan zijn/haar inspanningsverplichting, dan nodigen wij u graag uit voor een adviesgesprek.

Wellicht is er in uw situatie ruimte voor een verlaging van de partneralimentatie?

Bel tijdig!

Advocaat Jan-Willem Hijnen

 

Lees meer

Militair won hoger beroep na een ‘halve’ vrijspraak.

Je zou je handen dichtknijpen als er in een zaak waarin twee feiten ten laste worden gelegd voor het eerste feit vrijspraak volgt en voor het tweede feit geen straf wordt opgelegd. Een zogenaamde toepassing van artikel 9a Strafvordering door de Rechtbank te Arnhem.

Maar eigenlijk ben je voor feit twee wel veroordeeld, althans zo voelde het voor deze vrouwelijke militair. Collega’s bij defensie spraken haar er ook nog op aan. Daar kon zij niet mee leven, dus ze wilde in hoger beroep.

Aangezien je tegen een vrijspraak niet in hoger beroep kunt gaan als verdachte, wilde zij wel tegen de toepassing van de artikel 9a in hoger beroep. Advies voor het instellen van hoger beroep zal een strafrechtadvocaat niet zo snel doen, maar ik geloofde in mijn cliënte en stelde hoger beroep in.

Waar ging het eigenlijk allemaal om?

Het ging hier om het verwijt dat zij willens en wetens onjuist declaraties in Dido zou hebben ingediend. Later zou blijken dat er eigenlijk niemand bij defensie meer goed weet hoe dat declaratiesysteem werkt, aangezien alle comptabelen zijn verdwenen/weggesaneerd.

Wat de zaak nog bizarder maakt, is dat achteraf bleek dat zij zelfs – te weinig – had gedeclareerd! Juridisch maakt dat echter niet uit! Volgt u hem nog?

Ondergetekende had een van de laatst opgeleide en actief dienende comptabele als getuige meegenomen naar de zitting en deze militair werd als getuige deskundige gehoord. Hij noemde het een ‘draak van een systeem’, waar ook hij nog wel eens een fout mee maakte.

Voorts gaf hij aan nog nooit te hebben meegemaakt dat fouten tot een strafrechtelijke aangifte hadden geleid. Achteraf worden fouten hersteld door DCHR, die de taak van de weggesaneerde comptabelen heeft overgenomen. Dat er fouten worden gemaakt, zit volgens deze deskundige in het nieuwe declaratiesysteem ingecalculeerd.

Uiteindelijk achtte het Hof dat er geen sprake was van enige (voorwaardelijke) opzet en sprak haar vrij!

U bent wederom geïnformeerd en gewaarschuwd!

Hein Dudink/Advocaat

Lees meer

Toename aantal verdachten van geweld tegen hulpverleners

Uit zeer recente cijfers blijkt dat het aantal verdachten van geweld tegen mensen met een publieke taak het afgelopen jaar sterk is toegenomen. In 2016 waren er 7.502 verdachten van agressie of geweld tegen hulpverleners zoals politieagenten, brandweerlieden en ambulancepersoneel. Het afgelopen jaar steeg dat aantal naar 8.964, een toename van bijna 20%.

Het Openbaar Ministerie weet niet wat de oorzaak is van de sterke stijging. Volgens het OM hoeft het niet te betekenen dat het geweld tegen hulpverleners ook daadwerkelijk is toegenomen: de stijging zou ook te maken kunnen hebben met het betere registratiesysteem dat begin 2015 werd ingevoerd, al bleef het aantal verdachten ook ná die invoering stijgen.

Het OM eist in strafzaken over geweld tegen hulpverleners in de regel een dubbel zo zware straf. Bij evenementen zoals Oud en Nieuw hanteert het OM zelfs nog zwaardere strafeisen.

Vooral verbaal geweld
In 59% van de gevallen ging het om verbale agressie, zoals het beledigen of bedreigen van een hulpverlener, of het negeren van een bevel. In 35% van de gevallen ging het om fysiek geweld, zoals eenvoudige mishandeling, verzet bij arrestatie of openlijke geweldpleging.

Slechts in 3% van de gevallen was er sprake van een ernstig misdrijf, zoals zware mishandeling en (poging tot) moord of doodslag. In de overige gevallen ging het om veel verschillende soorten delicten die nauwelijks voorkomen, zoals een opzettelijk valse aangifte. De verhoudingen zijn sinds 2015 nauwelijks gewijzigd.

Twee derde van de geweldszaken tegen hulpverleners werd door het OM aan de rechter voorgelegd. Meestal gebeurde dat via een dagvaarding. Een op de vijf zaken werd door het OM afgedaan met een transactie of strafbeschikking.

Bent u als hulpverlener slachtoffer van geweld? Neem dan contact op met de Ambtenarenbalie. Onze experts kunnen u adviseren en bijstaan als u zich als slachtoffer wilt voegen in de strafprocedure tegen de verdachte.

Lees meer